donderdag 17 november 2011

Van arbeid naar spel


Als universitair geschoold econoom moet ik tot mijn schaamte bekennen dat ik weinig meer begrijp van dat vakgebied. Dit kunt u lezen als een kokette openingszin van iemand die een vak gestudeerd heeft dat voorlopig even in het verdomhoekje zit. Mijn bedoeling gaat echter verder dan dat. Met mijn achtergrond zou ik toch op zijn minst de populaire versies van economische analyses moeten kunnen volgen. Dat lukt echter steeds minder. Ik luister naar de deskundigen die in de media de huidige economische situatie proberen te duiden en probeer te doorgronden waarop hun stellingen zijn gebaseerd. Ik kom daar niet uit. Nu volg ik de ontwikkelingen in de economische theorievorming in onvoldoende mate om de uitspraken te kunnen herleiden tot gangbare economische theorieën. Daarmee zit ik echter in hetzelfde schuitje als een dikke 99% van de overige lezers, kijkers en luisteraars. Wat is er gebeurt waardoor economie zo duister is geworden dat het voor geïnteresseerde leken niet meer te begrijpen is? Moeten we de deskundigen in de media vertrouwen op basis van het jargon dat ze hanteren, hun leeftijd of hun outfit?

Aan de basis van de klassieke theorie van economen als Adam Smith, David Ricardo en Karl Marx lag een theorie over waarde; de arbeidswaardeleer. Het concept arbeidswaarde is helder en ook voor niet-economen goed te begrijpen. De waarde van een product wordt bepaald door de hoeveelheid arbeid die nodig is om het product te maken. De grondstoffen in de natuur zijn immers vrij voorhanden. De hoeveelheid inspanning die nodig is om die grondstoffen om te vormen tot een bruikbaar product bepaalt de waarde van dat product. Een eenvoudig basisprincipe geworteld in arbeidsverdeling en de daaruit voortvloeiende ruilhandel.

Sinds de 2e wereldoorlog is onder economen vooral de speltheorie populair geworden. De speltheorie richt zich vooral op de verklaring van strategische keuzes. Dat wil zeggen keuzes waarbij de uitkomst mede afhankelijk is van de keuzes die anderen maken. Deze ontwikkeling hangt samen met een overgang naar een subjectieve waardeleer. De waarde van een product wordt niet bepaald door de inspanningen die nodig zijn om het te maken, maar door het nut dat het product heeft voor de gebruiker.

Deze speltheorie hoor je in gepopulariseerde vorm terug in de analyses van deskundigen van de economische crisis. Beleggers reageren op geruchten, vermoedens, magische puntengrenzen en vooral op elkaar. De concrete economie van productie en consumptie speelt een ondergeschikte rol. De crisis speelt zich in eerste instantie af in een afgeleide wereld van koersen, rentestanden, indicatoren, etc. Aan het einde van het verhaal komt de deskundige dan met de (meestal verontrustende) opmerking, dat dit alles ook effect zal hebben op de reële economie. Economie is vooral een spel geworden en de echte wereld waarin het gaat om de vraag of we voldoende middelen van bestaan hebben lijkt slechts een aanhangsel te zijn.

Ik heb niets tegen spelen, maar de vraag is wel of dit spel nog wel leuk is. Hebben we geen andere theorieën en concepten nodig in de economie? Moderne producenten en consumenten zijn geneigd zich te gaan gedragen naar de modellen die ontwikkeld worden om hun gedrag te begrijpen. Het lijkt mij daarom wel een goed idee om die speltheorie maar eens even te laten rusten en de klassieke theorie van de arbeidswaarde weer eens af te stoffen. Mensen gebruiken hun capaciteiten om een bijdrage te leveren aan de samenleving en het inkomen dat ze daarmee verwerven gebruiken ze om aan te schaffen wat ze nodig hebben. Dat is de basis van een reële economie en de rest is slechts afgeleide. Zo'n terugkeer naar de wortels van het vakgebied lijkt mij geen gekke gedachte. Maar, zoals gezegd, ik begrijp het vakgebied al een tijdje niet meer.