Korveradvies
donderdag 17 november 2011
Van arbeid naar spel
Als universitair geschoold econoom moet ik tot mijn schaamte bekennen dat ik weinig meer begrijp van dat vakgebied. Dit kunt u lezen als een kokette openingszin van iemand die een vak gestudeerd heeft dat voorlopig even in het verdomhoekje zit. Mijn bedoeling gaat echter verder dan dat. Met mijn achtergrond zou ik toch op zijn minst de populaire versies van economische analyses moeten kunnen volgen. Dat lukt echter steeds minder. Ik luister naar de deskundigen die in de media de huidige economische situatie proberen te duiden en probeer te doorgronden waarop hun stellingen zijn gebaseerd. Ik kom daar niet uit. Nu volg ik de ontwikkelingen in de economische theorievorming in onvoldoende mate om de uitspraken te kunnen herleiden tot gangbare economische theorieën. Daarmee zit ik echter in hetzelfde schuitje als een dikke 99% van de overige lezers, kijkers en luisteraars. Wat is er gebeurt waardoor economie zo duister is geworden dat het voor geïnteresseerde leken niet meer te begrijpen is? Moeten we de deskundigen in de media vertrouwen op basis van het jargon dat ze hanteren, hun leeftijd of hun outfit?
Aan de basis van de klassieke theorie van economen als Adam Smith, David Ricardo en Karl Marx lag een theorie over waarde; de arbeidswaardeleer. Het concept arbeidswaarde is helder en ook voor niet-economen goed te begrijpen. De waarde van een product wordt bepaald door de hoeveelheid arbeid die nodig is om het product te maken. De grondstoffen in de natuur zijn immers vrij voorhanden. De hoeveelheid inspanning die nodig is om die grondstoffen om te vormen tot een bruikbaar product bepaalt de waarde van dat product. Een eenvoudig basisprincipe geworteld in arbeidsverdeling en de daaruit voortvloeiende ruilhandel.
Sinds de 2e wereldoorlog is onder economen vooral de speltheorie populair geworden. De speltheorie richt zich vooral op de verklaring van strategische keuzes. Dat wil zeggen keuzes waarbij de uitkomst mede afhankelijk is van de keuzes die anderen maken. Deze ontwikkeling hangt samen met een overgang naar een subjectieve waardeleer. De waarde van een product wordt niet bepaald door de inspanningen die nodig zijn om het te maken, maar door het nut dat het product heeft voor de gebruiker.
Deze speltheorie hoor je in gepopulariseerde vorm terug in de analyses van deskundigen van de economische crisis. Beleggers reageren op geruchten, vermoedens, magische puntengrenzen en vooral op elkaar. De concrete economie van productie en consumptie speelt een ondergeschikte rol. De crisis speelt zich in eerste instantie af in een afgeleide wereld van koersen, rentestanden, indicatoren, etc. Aan het einde van het verhaal komt de deskundige dan met de (meestal verontrustende) opmerking, dat dit alles ook effect zal hebben op de reële economie. Economie is vooral een spel geworden en de echte wereld waarin het gaat om de vraag of we voldoende middelen van bestaan hebben lijkt slechts een aanhangsel te zijn.
Ik heb niets tegen spelen, maar de vraag is wel of dit spel nog wel leuk is. Hebben we geen andere theorieën en concepten nodig in de economie? Moderne producenten en consumenten zijn geneigd zich te gaan gedragen naar de modellen die ontwikkeld worden om hun gedrag te begrijpen. Het lijkt mij daarom wel een goed idee om die speltheorie maar eens even te laten rusten en de klassieke theorie van de arbeidswaarde weer eens af te stoffen. Mensen gebruiken hun capaciteiten om een bijdrage te leveren aan de samenleving en het inkomen dat ze daarmee verwerven gebruiken ze om aan te schaffen wat ze nodig hebben. Dat is de basis van een reële economie en de rest is slechts afgeleide. Zo'n terugkeer naar de wortels van het vakgebied lijkt mij geen gekke gedachte. Maar, zoals gezegd, ik begrijp het vakgebied al een tijdje niet meer.
donderdag 20 oktober 2011
Occupy
De occupy beweging die zich vanuit New York over de wereld verspreidt kan in de 'oude' media op veel scepsis rekenen. De beweging is met behulp van de nieuwe media georganiseerd en het duurde even voor de kranten en de televisie er aandacht aan gingen besteden. De beweging is nu van een omvang dat negeren geen optie meer is.
Eigenlijk zou je verwachten dat deze beweging vooral door de babyboomers met open armen zou worden ontvangen. Hoeveel klaagzangen hebben we in de afgelopen decennia niet gehoord over het gebrek aan engagement bij ongeveer alle generaties van na '68. Niets is echter minder waar. De zure commentaren overheersen. Pieter Smit noemt het in de Volkskrant slechts een weekendrevolutie. Zijn bezwaar is dat de demonstranten zelf onderdeel zijn van het systeem waartegen ze protesteren. Dat is natuurlijk een open deur. We zijn altijd onderdeel van het systeem, maar daarom mogen we nog wel onze stem verheffen. Het conflict huist ook in onszelf. Dat was overigens in '68 ook al het geval.
Veel critici roepen dat de beweging kansloos is omdat er geen leider, geen organisatie en geen programma is. Anderen zien achter de beweging juist weer een gevaarlijk complot. Rob Wijnberg vat al de kritieken waarmee je altijd gelijk hebt mooi samen.
Tegen al die critici die met afschuw of nostalgie terug denken aan eerdere revoluties zou ik willen zeggen 'welkom in de 21e eeuw'. Het verschil met revoluties van vroeger is niet alleen dat er geen leider en geen organisatie is. Er is ook geen gedeeld utopisch vergezicht. De nieuwe vorm van demonstreren is doortrokken van scepsis en twijfel, zoals Bas Heijne terecht opmerkt. Het gaat om ruimte om over alternatieven na te denken. Wat wel breed gedeeld wordt is de onvrede met de wereld die we hebben gecreëerd. Een wereld van schijnproducten, exorbitante bonussen en bestuurders die lak hebben aan het publieke belang. Ik verwacht op zich geen wonderen van groepen mensen die samenkomen om hun stem te laten horen. Ik denk wel dat de verontwaardiging serieus moet worden genomen.
Veel belangrijker is echter dat het werken aan alternatieven al lang begonnen is. Het engagement uit zich in de 21e eeuw niet in de eerste plaats door middel van demonstraties en spandoeken, maar vooral door het ontwikkelen van concrete alternatieven. Alternatieven die de vervreemding van grote bureaucratische systemen proberen te doorbreken en terugkeren naar de menselijke maat. Laat ik hier één voorbeeld noemen: Stichting Buurtzorg opgericht door Jos de Blok. Wie de moeite neemt om een beetje rond te kijken, ziet dat op heel veel plaatsen gewerkt wordt aan dit soort alternatieven. Geen groot utopisch verhaal, wel een krachtige beweging.
zaterdag 2 juli 2011
Hebben wij boeken nodig?
Als je van mening bent dat het gebruik van internet en sociale media een serieuze bedreiging begint te vormen voor je welzijn of je productiviteit is er een handig hulpmiddel beschikbaar: Freedom. Met Freedom kun je jezelf voor een aantal uren afsluiten van het internet. Onder de gebruikers zijn Nick Hornby, Dave Eggers, Naomie Klein en Seth Godin. Mijn eerste reactie was daar heb je weer zo'n waarschuwende vinger tegen de negatieve effecten van het internet. Wees op je hoede, want voor je het weet kondigen ze het einde der tijden aan. Ik wantrouw overigens ook iedereen die het internet of twitter wil nomineren voor de Nobelprijs voor de Vrede.
De personen die ik hier noem zijn allemaal bekend omdat ze boeken hebben geschreven. In het rijtje mag je Seth Godin wel een gebruiker uit onverdachte hoek noemen. Je kunt hem moeilijk van internet-bashing beschuldigen. Van Dave Eggers komt de bekentenis dat hij wel eens een hele dag op you-tube filmpjes van Kajagoogoo heeft zitten kijken. Freedom heeft hem gered, of in ieder geval zijn productiviteit. Schrijven is een weerbarstige bezigheid. Terwijl ik deze blog probeer te schrijven flitsen er voortdurend hinderlijke gedachten door mijn hoofd. Zal ik eerst even koffie pakken? Even kijken of mijn dochters het konijn en de cavia wel eten hebben gegeven. De was binnenhalen voor het donker wordt. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Genoeg afleidende gedachten om het schrijven van deze blog eindeloos uit te stellen.Het bekijken van Kajagoogoo filmpjes was daar nog niet bij, tot ik de bekentenis van Dave Eggers las. Opeens wordt ook dat een mogelijkheid. De kunst van het schrijven is om luid en duidelijk nee te zeggen tegen al die stemmen in je hoofd en gewoon te doen wat je moet doen: letters woorden zinnen produceren. Deze blog moet er komen want de wereld wordt daar mooier en beter van. Niet veel, maar toch een beetje.
Als een schrijver een app nodig heeft die hem voor een aantal uren van het internet afsluit om een boek tot een goed einde te brengen, dan gun ik hem dat van harte. Het past ook nog helemaal in het Kantiaanse ideaal van de menselijke autonomie. Je stelt immers zelf in of en voor hoe lang je verstoken wilt zijn van de toegang tot het internet. Een mooi voorbeeld van zelfbepaling. Natuurlijk is het een beetje zelfbedrog, maar dat hebben we allemaal zo nu en dan nodig. Het kost slechts 10 dollar. Ik ken genoeg vormen van zelfbedrog waarvoor we meer geld kwijt zijn. Constante afleiding geeft je de gelegenheid je overal te verschuilen en overal voor weg te lopen stelt Seth Godin. Als je een klus te klaren hebt moet je je wapenen tegen de afleiding. Vroeger deden schrijvers dat in huisjes op het platteland of in het buitenland, nu is dat niet meer voldoende.
Johann Hari pleit voor het papieren boek in 'the age of distraction'. Niet omdat hij tegen het internet is, maar omdat het papieren boek de technologie biedt om je te concentreren, om je te oefenen in aandacht en geduld. In het kader van een interne verhuizing ben ik mijn boekenkast kritisch aan het doornemen. Het stapeltje dat ik na lang wikken en wegen en met enige pijn in het hart weg ga doen, weegt maar amper op tegen mijn aankopen van de laatste twee jaar. Nu ik het verhaal van Hari gelezen heb weet ik het zeker; ik ga er nog een Billy bij kopen.
De personen die ik hier noem zijn allemaal bekend omdat ze boeken hebben geschreven. In het rijtje mag je Seth Godin wel een gebruiker uit onverdachte hoek noemen. Je kunt hem moeilijk van internet-bashing beschuldigen. Van Dave Eggers komt de bekentenis dat hij wel eens een hele dag op you-tube filmpjes van Kajagoogoo heeft zitten kijken. Freedom heeft hem gered, of in ieder geval zijn productiviteit. Schrijven is een weerbarstige bezigheid. Terwijl ik deze blog probeer te schrijven flitsen er voortdurend hinderlijke gedachten door mijn hoofd. Zal ik eerst even koffie pakken? Even kijken of mijn dochters het konijn en de cavia wel eten hebben gegeven. De was binnenhalen voor het donker wordt. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Genoeg afleidende gedachten om het schrijven van deze blog eindeloos uit te stellen.Het bekijken van Kajagoogoo filmpjes was daar nog niet bij, tot ik de bekentenis van Dave Eggers las. Opeens wordt ook dat een mogelijkheid. De kunst van het schrijven is om luid en duidelijk nee te zeggen tegen al die stemmen in je hoofd en gewoon te doen wat je moet doen: letters woorden zinnen produceren. Deze blog moet er komen want de wereld wordt daar mooier en beter van. Niet veel, maar toch een beetje.
Als een schrijver een app nodig heeft die hem voor een aantal uren van het internet afsluit om een boek tot een goed einde te brengen, dan gun ik hem dat van harte. Het past ook nog helemaal in het Kantiaanse ideaal van de menselijke autonomie. Je stelt immers zelf in of en voor hoe lang je verstoken wilt zijn van de toegang tot het internet. Een mooi voorbeeld van zelfbepaling. Natuurlijk is het een beetje zelfbedrog, maar dat hebben we allemaal zo nu en dan nodig. Het kost slechts 10 dollar. Ik ken genoeg vormen van zelfbedrog waarvoor we meer geld kwijt zijn. Constante afleiding geeft je de gelegenheid je overal te verschuilen en overal voor weg te lopen stelt Seth Godin. Als je een klus te klaren hebt moet je je wapenen tegen de afleiding. Vroeger deden schrijvers dat in huisjes op het platteland of in het buitenland, nu is dat niet meer voldoende.
Johann Hari pleit voor het papieren boek in 'the age of distraction'. Niet omdat hij tegen het internet is, maar omdat het papieren boek de technologie biedt om je te concentreren, om je te oefenen in aandacht en geduld. In het kader van een interne verhuizing ben ik mijn boekenkast kritisch aan het doornemen. Het stapeltje dat ik na lang wikken en wegen en met enige pijn in het hart weg ga doen, weegt maar amper op tegen mijn aankopen van de laatste twee jaar. Nu ik het verhaal van Hari gelezen heb weet ik het zeker; ik ga er nog een Billy bij kopen.
donderdag 19 mei 2011
Should I stay or should I go
Bij mijn studie Bedrijfseconomie werd het erin gehamerd: het gaat in bedrijven om continuïteit. Winst is geen doel op zichzelf, maar de noodzakelijke voorwaarde voor het voortbestaan. Het was een klein scheutje Rijnlandse saus over een sterk Angelsaksisch getinte opleiding. De vraag die mij nu al een tijdje plaagt is 'waarom continuïteit?' Dat krijg je als je eenmaal in doel-middel-denken verzeild bent geraakt; achter ieder doel moet weer een ander, dieper, hoger, mooier, groter doel gedacht worden. Waarom die hang naar continuïteit? Soms zijn er ook zaken die je met plezier zou zien verdwijnen. Een paar vrij willekeurige voorbeelden, die ik in de afgelopen dagen langs zag komen:
Ik neem aan dat ik geen lezers heb waarvoor dit toegelicht moet worden.
Ik moet het nauwkeuriger formuleren. Ik gun Bob nog een lang en gelukkig leven, maar zou het niet beter zijn als hij niet 150 keer per jaar....
Laat ik mild zijn; ik gun hen hetzelfde als Bob en ze mogen zelfs zo nu en dan optreden als dagvoorzitter of zo, maar niet meer 250 keer per jaar tussen 11 en 12 op TV.
Ik daag u uit om even na te denken en ik vermoed dat u dan in korte tijd organisaties, instituties en andere fenomenen te binnen schieten die er beter niet zouden kunnen zijn. Vaak hebben ze gedurende een bepaalde tijd echt wel hun nut bewezen. Ze hebben ons geholpen, vermaakt en nieuwe inzichten gegeven. Maar op een bepaald moment is het over. Dan moet je rigoureus de stekker eruit trekken en de hele handel afbreken. Leuk is dat natuurlijk niet. 'Partir, c'est mourir un peu'. Maar bekijk het ook eens positief. Er ontstaat ruimte voor nieuwe ontwikkelingen.
Wat niet meer past verdwijnt uiteindelijk toch wel. Kijkend naar evolutionaire ontwikkeling is dat een conclusie die we rustig kunnen trekken. Organisaties steken veel energie in het veilig stellen van hun voortbestaan. Energie die niet aangewend kan worden om voor ons van nut te zijn. De hang van organisaties naar continuïteit als doel op zich, moet daarom worden onderdrukt. Ik zou er voor willen pleiten dat iedere organisatie zich van tijd tot tijd de vraag stelt:
Ik neem aan dat ik geen lezers heb waarvoor dit toegelicht moet worden.
Ik moet het nauwkeuriger formuleren. Ik gun Bob nog een lang en gelukkig leven, maar zou het niet beter zijn als hij niet 150 keer per jaar....
Laat ik mild zijn; ik gun hen hetzelfde als Bob en ze mogen zelfs zo nu en dan optreden als dagvoorzitter of zo, maar niet meer 250 keer per jaar tussen 11 en 12 op TV.Ik daag u uit om even na te denken en ik vermoed dat u dan in korte tijd organisaties, instituties en andere fenomenen te binnen schieten die er beter niet zouden kunnen zijn. Vaak hebben ze gedurende een bepaalde tijd echt wel hun nut bewezen. Ze hebben ons geholpen, vermaakt en nieuwe inzichten gegeven. Maar op een bepaald moment is het over. Dan moet je rigoureus de stekker eruit trekken en de hele handel afbreken. Leuk is dat natuurlijk niet. 'Partir, c'est mourir un peu'. Maar bekijk het ook eens positief. Er ontstaat ruimte voor nieuwe ontwikkelingen.
Wat niet meer past verdwijnt uiteindelijk toch wel. Kijkend naar evolutionaire ontwikkeling is dat een conclusie die we rustig kunnen trekken. Organisaties steken veel energie in het veilig stellen van hun voortbestaan. Energie die niet aangewend kan worden om voor ons van nut te zijn. De hang van organisaties naar continuïteit als doel op zich, moet daarom worden onderdrukt. Ik zou er voor willen pleiten dat iedere organisatie zich van tijd tot tijd de vraag stelt:
woensdag 20 april 2011
Gebruik van de stad
De Zwolse wijk waar ik woon vloeit als een plas uit in de de groene weilanden van de Mastenbroeker polder. Door de economische crisis was het tempo er even uit, maar intussen wordt er weer stevig verder gebouwd. In het noorden is de stad een paar jaar geleden de Overijsselse Vecht overgestoken voor de realisatie van bedrijventerrein Hessenpoort. Zwolle is een groeistad en daarvoor is ruimte nodig. Groene ruimte die we met pijn in het hart zien verdwijnen.Mij bekruipt steeds vaker de vraag of de uitbreiding van de stad in dit tempo wel echt noodzakelijk is. Dat geldt zeker voor het zakelijk onroerend goed. Op veel kantoorpanden hangen grote borden met 'te huur' of 'te koop'. Op bedrijventerreinen zie ik verouderde panden, die overduidelijk niet meer in gebruik zijn. Tussen de bedrijven zijn er rommelige weilandjes waar een paar paarden grazen, soms al jaren lang.
Twee architecten, Peter Groot en Edwin Verdurmen hebben in Arnhem het Departement Tijdelijke Ordening (DTO) opgericht. Zij willen stimuleren dat plekken in de stad die tijdelijk niet in gebruik zijn gebruikt worden voor creatieve initiatieven. De transitiefase kan gebruikt worden om te experimenteren met nieuwe creatieve vormen van gebruik van de ruimte. Met behulp van de transitiekaart hebben ze voor Arnhem de leegstaande en braakliggende ruimten in beeld gebracht. Een mooi voorbeeld van meer organiseren met minder. Zullen we dit in Zwolle ook gaan doen?
donderdag 24 februari 2011
Ode aan de burger
"Ik hou niet zo van de term 'burgers'. We kunnen beter spreken over 'mensen'." De woorden van de politiechef bleven in mijn hoofd rondspoken, terwijl ik door de avondspits naar huis reed. De bijeenkomst ging natuurlijk over hoe het allemaal beter zou kunnen in het korps. Daarvoor moet je 'de burger' centraal stellen en niet de cijfertjes of het bestuur. Nou ja, nog beter dus,'de mens'.
Burgers zijn mensen, daar is weinig op af te dingen. Zoals ook klanten mensen zijn en patiënten ook en leerlingen. Het is van belang om iedereen ook menselijk te behandelen; burgers, maar ook klagers, verdachten, veelplegers, moordenaars. Dat is allemaal waar.
De opmerking gaat echter voorbij aan een belangrijk punt. De term burger zegt niet in de eerste plaats iets over een individu, maar definieert vooral de relatie tussen dat individu en in dit geval de politie. De term klant duidt op een relatie die wezenlijk anders is dan burger. Een klant is iemand die een product of een dienst vraagt en pas als die vraag door koopkracht wordt geschraagd is een organisatie bereid iemand als klant te accepteren.
Ik ben als het om politiewerk gaat, gehecht aan de term burger, omdat ik denk dat de relatie die met de term burger wordt aangeduid van wezenlijke betekenis is voor een democratische rechtsstaat. Historisch gezien ontstond de burger toen handelaren en ambachtslieden zich ontworstelden aan de greep van de adel en de kerk en zelf hun eigen bestuur ter hand namen. Burger is de rol die het autonome individu voor zich opeist in het maatschappelijke en politieke leven. De burger is de uiteindelijke autoriteit in de democratische rechtsstaat en draagt daarmee zelf de verantwoordelijkheid voor die rechtsstaat.
Mede door de invloed van het bedrijfsmatig denken binnen de overheid zijn we burgers steeds meer als klanten gaan zien en zijn ze zich ook steeds meer als zodanig gaan gedragen. Autonomie werd vervangen door keuzevrijheid. De klanten van de politie zijn vaak hele ontevreden klanten, want er valt weinig te kiezen. Je kunt niet naar de concurrent voor een beter 'veiligheidsproduct'. Veiligheid en leefbaarheid moet je niet aan de professionals over laten. Burgers geven er zelf vorm aan en moeten kunnen rekenen op een politie die hen daarbij ondersteunt.
Burgers zijn mensen, daar is weinig op af te dingen. Zoals ook klanten mensen zijn en patiënten ook en leerlingen. Het is van belang om iedereen ook menselijk te behandelen; burgers, maar ook klagers, verdachten, veelplegers, moordenaars. Dat is allemaal waar.
De opmerking gaat echter voorbij aan een belangrijk punt. De term burger zegt niet in de eerste plaats iets over een individu, maar definieert vooral de relatie tussen dat individu en in dit geval de politie. De term klant duidt op een relatie die wezenlijk anders is dan burger. Een klant is iemand die een product of een dienst vraagt en pas als die vraag door koopkracht wordt geschraagd is een organisatie bereid iemand als klant te accepteren.
Ik ben als het om politiewerk gaat, gehecht aan de term burger, omdat ik denk dat de relatie die met de term burger wordt aangeduid van wezenlijke betekenis is voor een democratische rechtsstaat. Historisch gezien ontstond de burger toen handelaren en ambachtslieden zich ontworstelden aan de greep van de adel en de kerk en zelf hun eigen bestuur ter hand namen. Burger is de rol die het autonome individu voor zich opeist in het maatschappelijke en politieke leven. De burger is de uiteindelijke autoriteit in de democratische rechtsstaat en draagt daarmee zelf de verantwoordelijkheid voor die rechtsstaat.
Mede door de invloed van het bedrijfsmatig denken binnen de overheid zijn we burgers steeds meer als klanten gaan zien en zijn ze zich ook steeds meer als zodanig gaan gedragen. Autonomie werd vervangen door keuzevrijheid. De klanten van de politie zijn vaak hele ontevreden klanten, want er valt weinig te kiezen. Je kunt niet naar de concurrent voor een beter 'veiligheidsproduct'. Veiligheid en leefbaarheid moet je niet aan de professionals over laten. Burgers geven er zelf vorm aan en moeten kunnen rekenen op een politie die hen daarbij ondersteunt.
dinsdag 17 augustus 2010
Beroepseer voor managers
Manager zijn lijkt me in deze tijd een twijfelachtig genoegen. Weliswaar ben je in de meeste organisaties hoger ingeschaald dan de overige medewerkers en dat is prettig. Daar staat tegenover dat de manager lijdt onder een slecht imago. Hij ligt op z'n minst vanuit twee hoeken stevig onder vuur.
Onder professionals is mopperen op managers een belangrijk tijdverdrijf tijdens de pauzes en vaak ook daar tussendoor. Managers hebben geen verstand van het werk dat gedaan moet worden en met al hun plannen, targets, budgetten, procedures en protocollen veroorzaken ze alleen maar ellende. De tweede aanval komt vanuit de hoek van de literatuur over leiderschap. De manager fungeert in veel van die literatuur als de duistere achtergrond van waaruit het beeld van de leider glansrijk naar voren kan treden. De manager is vooral rationeel en past op de winkel; de leider is visionair en bestormt de hemel of verovert op z'n minst de wereld. Kortom, we hebben geen managers nodig maar leiders.
Ik zou het op deze plaats graag willen opnemen voor de manager door hier een paar stellingen tegenover te zetten.
1. Niet meer leiders alsjeblieft. Dat wil zeggen niet meer mensen die 'leider zijn' zien als hun primaire taak. Deze leiders maken visionaire plannen en proberen dan anderen mee te krijgen. Als die anderen dat om soms begrijpelijke redenen niet helemaal zien zitten, worden ze narrig en wordt het ene visionaire plan door het volgende ingehaald. Dit soort leiders heeft volgers nodig en daar wringt de schoen. Leiderschap kunnen we best gebruiken, maar dat is niet voorbehouden aan een bepaalde kaste in de organisaties.
2. Het probleem is niet de manager maar slecht management. Professionals worden horendol van cijferfetisjisme, doorgeslagen regelzucht en geïnstitutionaliseerd wantrouwen. Het is echter een misverstand dit als de kern van management te zien. Je kunt managers hooguit verwijten dat ze zich teveel mee hebben laten slepen door modellen en instrumenten en daardoor vervreemd zijn geraakt van de concrete werkelijkheid.
3. De manager moet geen mensen sturen maar dingen regelen. Als een organisatie zich volgens een netjes uitgestippelde marsroute ontwikkelt heeft het sturen van mensen enige zin, ook al blijft het altijd een weerbarstige opgave. In de meeste organisaties bestaat zo'n uitgestippelde route niet. De weg moet gaandeweg worden ontdekt en de professionals kunnen dat uitstekend zelf. Dat betekent absoluut niet dat de manager overbodig is. Hij moet de juiste condities creëren waardoor de professional zijn werk goed kan doen. Hij moet zorgen dat het systeem eenvoudig en goed functioneert en een open oog hebben voor de dreiging van perverse effecten.
Dit maakt van de manager niet de nobele held die de toekomst van de organisatie bepaalt. De professionals zullen daar echter niet rouwig om zijn en hem alle waardering geven die hem toekomt.
Onder professionals is mopperen op managers een belangrijk tijdverdrijf tijdens de pauzes en vaak ook daar tussendoor. Managers hebben geen verstand van het werk dat gedaan moet worden en met al hun plannen, targets, budgetten, procedures en protocollen veroorzaken ze alleen maar ellende. De tweede aanval komt vanuit de hoek van de literatuur over leiderschap. De manager fungeert in veel van die literatuur als de duistere achtergrond van waaruit het beeld van de leider glansrijk naar voren kan treden. De manager is vooral rationeel en past op de winkel; de leider is visionair en bestormt de hemel of verovert op z'n minst de wereld. Kortom, we hebben geen managers nodig maar leiders.
Ik zou het op deze plaats graag willen opnemen voor de manager door hier een paar stellingen tegenover te zetten.
1. Niet meer leiders alsjeblieft. Dat wil zeggen niet meer mensen die 'leider zijn' zien als hun primaire taak. Deze leiders maken visionaire plannen en proberen dan anderen mee te krijgen. Als die anderen dat om soms begrijpelijke redenen niet helemaal zien zitten, worden ze narrig en wordt het ene visionaire plan door het volgende ingehaald. Dit soort leiders heeft volgers nodig en daar wringt de schoen. Leiderschap kunnen we best gebruiken, maar dat is niet voorbehouden aan een bepaalde kaste in de organisaties.
2. Het probleem is niet de manager maar slecht management. Professionals worden horendol van cijferfetisjisme, doorgeslagen regelzucht en geïnstitutionaliseerd wantrouwen. Het is echter een misverstand dit als de kern van management te zien. Je kunt managers hooguit verwijten dat ze zich teveel mee hebben laten slepen door modellen en instrumenten en daardoor vervreemd zijn geraakt van de concrete werkelijkheid.
3. De manager moet geen mensen sturen maar dingen regelen. Als een organisatie zich volgens een netjes uitgestippelde marsroute ontwikkelt heeft het sturen van mensen enige zin, ook al blijft het altijd een weerbarstige opgave. In de meeste organisaties bestaat zo'n uitgestippelde route niet. De weg moet gaandeweg worden ontdekt en de professionals kunnen dat uitstekend zelf. Dat betekent absoluut niet dat de manager overbodig is. Hij moet de juiste condities creëren waardoor de professional zijn werk goed kan doen. Hij moet zorgen dat het systeem eenvoudig en goed functioneert en een open oog hebben voor de dreiging van perverse effecten.
Dit maakt van de manager niet de nobele held die de toekomst van de organisatie bepaalt. De professionals zullen daar echter niet rouwig om zijn en hem alle waardering geven die hem toekomt.
Abonneren op:
Berichten (Atom)


